Torjus

Zes uur duurde de busreis vanaf Oslo tot hier. Onderweg was er koffie, we pisten in de berm, en verstuurden de laatste berichtjes naar onze gezinnen. Ik zat achterin, de gesprekken over werk en het thuisfront geloofde ik allemaal wel, en kon ik zo makkelijk ontwijken zonder meteen het lulletje van de groep te zijn.

Als de bus gestopt is, en we onze telefoons ingeleverd hebben, zien we hem vanuit de vallei op ons aflopen.  Zijn haar is lang en piekerig en komt tot net boven zijn kont. Als ik hem een knuffel geef - klem heet dat in het Noors- , voel ik hem wat aarzelen. En zijn geweerkolf zit ook in de weg. Het opgedroogde rendierbloed op de schouder van zijn jas is donkerrood en de spetters meer naar beneden zijn lichtbruin. Ok, een halve klem dan maar. En een heel korte blik in mijn ogen. Hij lijkt een beetje geschrokken. Zijn geweer, van een Duitser en gebruikt in de Tweede Wereldoorlog hangt over zijn rechterschouder. ‘Kijk,’ zal hij later zeggen, ‘hier zie je de adelaar’ - en hij laat me de bovenkant van de loop zien, waar ik inderdaad de Bundesadler met hakenkruis eronder nog net kan herkennen- om er daarna bezwerend aan toe te voegen dat er waarschijnlijk nog wel mensen mee zijn omgelegd. Hij lacht zwaar en hij schudt met zijn bovenlijf als hij dat doet.

De demper van zijn geweer steekt boven zijn haar uit. En blijft altijd rechtopstaan. Als een stel toeristen die achter een vlag aanlopen, zo lopen we zes dagen achter hem aan. Hij heet Torjus - dat betekent Thors bliksemschicht volgens hem - en leidt onze zesdaagse expeditie door de heuvels van Fyresdal in zuid Noorwegen. Hij praat niet veel en geeft soms wat signalen. Wijsvinger op zijn lippen, stil zijn. Handje omhoog, stilstaan. Wijzen met z’n vinger, kijk daar is wild. Dan opeens staat hij stil. En dus wij allemaal. We hijgen met z’n dertienen op zoek naar een extra long ergens hier in de ijle lucht. Ik moet denken aan de bever die we gister slachtten, en de enorme longen die dat beest had.

foto torjus in sneeuw.jpg

Twee roestbruine joekels. Daarmee kunnen ze wel 15 minuten onder water blijven, zei Torjus. Tweehonderd meter verder, bijna niet te zien tussen de berkenbomen, staat een moeder eland met haar jong. Ze staan stil, want ze zien ons. En wij zien hun. Torjus vertelt fluisterend dat dat hun eerste verdedigingsmechanisme is, zo stil mogelijk staan. Daarna pas gaan ze rennen, energie verbruiken. Zo staan we een tijdje doodstil. En kijken we naar elkaar. De moeder met haar jong en Torjus met ons. Veertien hijgende mannen. Nou ja, dertien, want Torjus hijgt (natuurlijk) niet.

Deze heuvels zijn zijn thuis. Hij ruikt ernaar (en een beetje naar muf rendier ook) en is in alles versmolten met de omgeving. Zijn broek de kleur van berk, zijn jas de kleur van het gras, zijn tassen van rendierblazen - de ene gevuld met kogels, de andere steeds voller wordend met paddestoelen en bessen - lijken zwammen vastgezogen op zijn lijf.

Torjus is de snelste loper van ons allemaal. Het is ongelooflijk hoe hij op zijn laarzen met stalen neuzen (ergens gekregen) door de valleien beweegt. Altijd rechtop, zowel heuvelop- als af. In de zes dagen heb ik hem geen een keer zien slippen, of een misstap zien doen, of zien rennen, of zefls zijn handen uit zijn zakken zien halen. Eén keer hoor ik hem hijgen, eigenlijk meer een beetje zwaar ademen. Bovenop de berg, na een steile beklimming van minstens 45 minuten. Zo voelt het althans, want na 6 dagen zonder telefoon en horloge is mijn tijdsbesef een roulettespel geworden. Ik kijk naar zijn voorhoofd (want hij zal dan toch ook wel zweten? Ik ben doorweekt). Niks, geen druppel. Weer wordt er niks gezegd of gedeeld. Ook niet door Torjus, die een stuk minder mythisch begint te worden gedurende deze vermoeiende wandelingen. Hij doet wat moet, en niet meer of minder.

Dan maar een vraag stellen aan hem. Hoe het is om hier te leven in deze vallei. Hij kijkt me aan en hoeft geen moment na te denken over zijn antwoord: ‘Pretty oncomfortabele.’

Hij kucht, zegt iets over stoppen met roken, draait zich om, ritst een handvol jeneverbessen van een struik en loopt door. Ik hijg nog als de groep opstaat en doorloopt richting Torjus, die zonder om te kijken alweer aan de terugweg is begonnen.

IntoTheWild030.jpg
Als ik als laatste van de groep aansluit, is mijn kont hard en pijnlijk, en voel ik dat m’n rug koud is van het zweet.

Vanavond zal hij net zo makkelijk vertellen over blockchaintechnologie en hoe dat kansen biedt voor nieuwe economische systemen als over het controleren van de wildstand in de vallei. En welke delen van de forel je vooral moet eten om aan vet te komen (het sperma en de ingewanden). En over hoe hij vorige week een rendier doodschoot, de borst eraf sneed en de melk er nog even uitkneep om het op te drinken. ‘So I shot the reindeer, cut off the tits, squeezed out the milk and drank that. Bloody awesome.’

Dat laatste zinnetje zegt hij alsof hij een Engelse aristocraat is, met gevoel voor drama. Ik zie de groep lachen en huiveren tegelijk, want inmiddels weten we dat hij dit soort dingen niet verzint. Hij lepelde gisteren immers ook sperma uit een forel, en toen hij de staart van de bever in een pannetje bakte (en wij gruwelden van de lucht) zei hij doodleuk: ‘Tastes a bit like bacon.’

Als we na zes dagen afscheid van hem nemen zie ik dat hij het moeilijk heeft. ‘Het is goed dat ik jullie nu gedag zeg, anders zou ik jullie gaan missen,’ zegt ie. Hij stapt uit de bus, krijgt nog een nieuwe camouflagejas van een van ons in zijn handen gedrukt (verlegen aannemen), krabt wat met z’n laarzen door het grind, en loopt dan zonder om te kijken naar zijn berghut en trekt de deur  achter zich dicht.

In de auto op weg naar het vliegveld zijn de mannen om me heen stil. Na al die kou, nonstop regen en met z’n allen onder een zeiltje liggen is blijkbaar alles wel zo’n beetje gezegd. Ik kijk naar buiten en zie ondergelopen sportvelden, verregende campings en bootjes die op de wal zijn gekwakt. De chauffeur rijdt voorzichtig, de diepe plassen op de weg vermijdend, en vertelt me over zijn schouder dat dit de natste week in de afgelopen tien jaar was.    

Terwijl de chauffeur verder praat, dwaal ik af. In mijn hoofd is het nu eindelijk rustig merk ik, niet het geklep en geneuzel dat op zulke momen altijd begint. Er begint niks. Alles is nat. Ik ben kapot en ik mis Torjus.

Geschreven door Jaap Duin
Oprichter Elements Expeditions


jaap duin